Wil je meer weten?
Wil je meer weten?
Hier vind je meer informatie over uiteenlopende thema's zoals het belang van het kind, special needs, opvoeding, identiteit en herkomst.
Binnen de kritische adoptiestudies ligt de focus vooral op transnationaal geadopteerden die terugkeren naar hun land van herkomst en op zoek gaan naar hun eerste familie. Minder onderzocht zijn degenen die dit niet doen. Cawayu en Clemente-Martínez (2025) analyseren daarom de ervaringen van deze groep, die nochtans opgroeide in een periode van toenemende openheid rond adoptie en herkomst.
Het transnationaal adoptiesysteem is sinds zijn ontstaan en uitbreiding in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk veranderd. Aanvankelijk waren geheimhouding en gesloten adoptiedossiers de standaard in binnenlandse en later transnationale adoptie. Het zogeheten clean break-principe vormde daarbij een centrale pijler: de band met de oorspronkelijke familie werd verbroken en er werd verwacht van de geadopteerde een nieuwe start te maken met de adoptieve familie.
Tegen het einde van de jaren tachtig werd het belang van afstamming internationaal erkend, onder meer via het VN-Kinderrechtenverdrag (1989) en later het Haags Adoptieverdrag (1993). Deze verdragen verankerden het recht van geadopteerden om hun afkomst te kennen en droegen bij aan een verschuiving naar meer openheid.
Deze verschuiving ging echter gepaard met nieuwe spanningen. Het zoeken naar herkomst wordt vandaag niet langer louter als een optie gezien, maar steeds vaker als een morele verplichting (Wang et al., 2015; Yngvesson, 2003). Praktijken zoals terugreizen en zoektochten worden actief aangemoedigd en soms zelfs opgedrongen (Cawayu & De Graeve, 2022). Wat oorspronkelijk een recht was, is genormaliseerd als onderdeel van de ‘transnational adoptee lifecycle’ (Kim 2012), waarbij van geadopteerden verwacht wordt dat zij een traject doorlopen van terugkeer, zoeken en hereniging. Deze normativiteit wordt versterkt door experten die kennis van de eigen oorsprong als noodzakelijk voorstellen voor identiteitsontwikkeling (Howell, 2009).
Vanuit Yngvessons (2003) analyse kan deze evolutie begrepen worden via twee narratieven: het ‘vrijstaande kind’, waarbij het kind volledig wordt losgemaakt van familie, cultuur en herkomst en opgaat in het adoptiegezin, en het ‘gewortelde kind’, waarin de verbondenheid met de herkomst behouden blijft en de ‘ware’ identiteit in de genetische oorsprong wordt gesitueerd. Ondanks hun schijnbare tegenstelling zijn beide paradigma’s gebaseerd op de mythe van exclusive belonging, waarbij identiteit als ondeelbaar wordt gezien en slechts aan één familie kan toebehoren (De Graeve 2013; Yngvesson 2003).
Onderzoek bij binnenlands geadopteerden wijst op verschillende redenen om niet te zoeken, zoals loyaliteit tegenover adoptieouders (Roche & Perlesz, 2000) en angst voor pijnlijke informatie (Smith & Wallace, 2000). Daarbij maken veel geadopteerden een onderscheid tussen actief zoeken en openstaan om gevonden te worden (Roche & Perlesz, 2000). Recente studies tonen bovendien aan dat sommige transnationaal geadopteerden ook weerstand bieden tegen de normatieve verwachting om hun oorsprong te verkennen (Howell, 2009; Leinaweaver, 2013).
Niet-zoeken moet daarom begrepen worden als een betekenisvolle keuze, eerder dan als vermijding of weigering. Bij het niet-zoeken geven geadopteerden namelijk prioriteit aan bestaande relaties, emotionele stabiliteit of reeds gevormde identiteiten boven de onzekerheden van een zoektocht (Roche & Perlesz, 2000; Smith en Wallace, 2000). Het erkennen van niet-zoeken als volwaardige positie draagt bij aan een genuanceerder begrip van identiteit, verwantschap en verbondenheid.
Deze kwalitatieve studie combineert etnografisch veldwerk (diepte-interviews en participerende observatie) bij Boliviaans geadopteerden in België (n=12, 21-37 jaar) en Nepalees geadopteerden in Spanje (n=35, 10-30 jaar). In dit artikel worden respectievelijk vier en zes casussen van niet-zoekende geadopteerden geanalyseerd via thematische analyse.
De auteurs identificeren drie dynamieken die verklaren waarom transnationaal geadopteerden niet zoeken naar hun oorsprong.
Sommige geadopteerden hanteren een ‘hier en nu’-oriëntatie, waarbij oorsprong minder relevant is. Belonging wordt verankerd in het heden - via dagelijkse praktijken, relaties en het leven in het land waarin men geadopteerd werd - eerder dan in genealogie of geografie. Dit perspectief legt de nadruk op opvoeding, zorg en relationele context boven biologie, en sluit aan bij een liberaal discours waarin identiteit sociaal gevormd wordt.
Tegelijk impliceert deze benadering een logica van exclusiviteit (Högbacka, 2011) waarin enkel het adoptiegezin ‘enige’ familie gezien wordt. Dit verkleint de interesse in zoeken en laat weinig ruimte voor hybride vormen van verwantschap die zowel sociale als biologische banden erkennen.
Maria: “We all have a ‘where we come from,’ but that does not define the person. What matters is who we are now and the paths we take from here on. It’s as if where I come from is left behind because it has little to do with who I am now. That ‘where we come from’ is where you are born. In my case, Nepal. I am Nepali, and Nepal is my origin… but I don’t feel attached to it; none of it is who I am. I have lived all my life in Catalonia. My family and friends are here. I was born there, but so what? I have nothing there. The only thing I have from there is my body.”
Anita: “I know people expect me to be curious about Nepal, but honestly, it doesn’t cross my mind much. I have the information my parents told me, but it feels like reading about a character in a book—it’s interesting, but it’s not me. My life is here. The way I speak, the food I grew up eating, my friends, the way I think about myself—all of that is Spanish. If someday I travel there, it will be as a tourist, not to ‘find myself.’ I already know who I am.”
Naast deze ‘hier en nu’-oriëntatie verzetten sommige geadopteerden zich tegen de normatieve verwachting dat zoeken noodzakelijk is voor authenticiteit. In een context waarin biologische herkomst sterk wordt gevaloriseerd, worden niet-zoekende geadopteerden vaak gemarginaliseerd en gepercipieerd als ‘incompleet’ of ‘ongeïnteresseerd’. Niet-zoekende geadopteerden ervaren dit als intrusief en herdefiniëren belonging op basis van doorleefde ervaringen, relaties en persoonlijke keuzes. Zo positioneren zij zoeken als een recht, niet als een verplichting.
Neelam: “Some people romanticise Nepal. For me, it’s important, but not idealised. Honestly, I don’t feel the need to return. Some people are mad about it. I plan to return when I’m ready and able, but I had a tough time with the food and climate last time I travelled there.”
Roos: “I sometimes notice that when I tell them that I am adopted, people ask me ‘How are your biological parents’ and ‘Do you have family there?’ I find these annoying questions. […] because they expect that I hope to meet them or that I am busy with that or have difficulties with it [in admitting her interest]. I find it irritating. I am adopted and that’s it. […] ‘It will come’ some people say. That gives me the feeling that I am in denial. I find it tiresome that people react like that.”
Sommige geadopteerden geven aan vrede te hebben genomen met het gebrek aan informatie. Niet-zoeken kan hierbij functioneren als een vorm van zelfzorg, als een kwestie van prioriteiten stellen of als een pragmatische reactie op het ontbreken van informatie. Voor velen is een zoektocht immers onmogelijk door het gebrek aan identificerende gegevens (Passmore & Feeney, 2009).
Het gebrek aan informatie wordt doorheen de tijd aanvaard en een geïntegreerd onderdeel van het levensverhaal. In die zin is niet-zoeken geen passiviteit, maar een actieve strategie om controle te nemen over het eigen narratief, waarin ook afwezigheid, stilte en onwetendheid een plaats krijgen.
Elio: “To start a search, I never saw myself doing that, way too much work also. It didn’t really interest me either. Why go look for something that can hurt me? I have taken peace with my story and that was it. And whether it is true or not… It could be possible my [Bolivian] mom brought me [to the orphanage] under a different name. It could all be possible, but I wouldn’t figure it out anyway.”
Guillermo: “No, I know it would be a difficult quest, and I would rather invest my energy into something else.”
Naya: “I took peace with it, and I have given it a place that I will never find or meet my biological family… because I don’t have information, I don’t have names, I don’t have leads.”
Niet-zoeken is geen loutere afwezigheid van handelen, maar een agentieve positie die vorm krijgt binnen structurele, culturele en persoonlijke contexten. Geadopteerden positioneren zich actief binnen - en soms tegen - dominante discoursen over verwantschap en verbondenheid, en maken alternatieve vormen van verwantschap zichtbaar.
Tegelijk beargumenteren de auteurs dat zoeken en niet-zoeken geen tegengestelden zijn, maar voortkomen uit dezelfde logica van exclusive belonging. Zowel het zoeken (gewortelde kind) als het niet-zoeken (vrijstaande kind) reproduceren deze logica. Het niet-zoeken kan vervolgens ook beschouwd worden als een uiting van het adoptiesysteem.
Vanuit dit perspectief concluderen de auteurs dat geadopteerden niet voor de keuze gesteld moeten worden om al dan niet te zoeken, verwijzend naar het adoptiesysteem waarbij de definitieve scheiding een van de fundamenten is waarop dit systeem gebaseerd is.
De auteurs wijzen hierop dat hervormingen om geadopteerden te ondersteunen in hun zoektochten kunnen bijdragen tot herstel, maar het geen herstel is als het niet de fundamenten van het eigen systeem in vraag stelt dat nog steeds de scheiding tussen ouder en kind als normatief uitgangspunt ziet.
Bron: Cawayu, A., & Clemente-Martínez, C. K. (2025). Complicating the Search Imperative in Transnational Adoption: An Anthropological Analysis of Non-Searching Transnational Adoptees in Belgium and Spain. Genealogy, 9(4), 124. https://doi.org/10.3390/genealogy9040124
Tekst: Kristien Wouters